TPRS – Stap 2 – voorafje voor techniek 25 – Variaties in werkwoordstijden

TPRS – Stap 2 – voorafje voor techniek 25 – Variaties in werkwoordstijden

Van Alle Tijden logoEn dit is dan de laatste van de TPRS stap 2 technieken, techniek 25 : variaties in de tijden van de werkwoorden

Ben zegt dat taaldocenten soms wijsgemaakt worden door de educatieve uitgevers en gaan denken wat die willen dat ze denken, namelijk dat talen in ‘niveaus’ bestaan en dat de tegenwoordige tijd altijd de eerste tijd is die kinderen horen als ze een taal leren. Ben zegt dat dit niet waar is.

Hij zegt dat het bewustzijn van de verschillende werkwoordstijden voornamelijk iets intuïtiefs is : als leerlingen de betekenis van een werkwoord kennen, dan leiden ze de werkwoordstijd af van de context van het verhaal. Dit betekent in het bijzonder dat de tegenwoordige tijd en de verleden tijd regelmatig gebruikt kunnen worden en gebruikt dienen te worden in verhalen.

Hij geeft aan dat verhalen in de verleden tijd verteld dienen te worden, dat het verhaal samenvatten uiteraard in de verleden tijd wordt gedaan en dat dialogen natuurlijk in de de tegenwoordige tijd voorkomen. Ben zegt dat de leerlingen de verschillen in de tijden snel oppikken, zo lang alles rond het werkwoord duidelijk is en zo lang ze de betekenis van het werkwoord kennen.

Hij geeft aan dat herhaaldelijk het begrip checken ervoor zorgt dat de verschillende tijden correct verwerkt worden. Regelmatige auditieve begripschecks met geschreven ondersteuning verhelderen het auditieve en het visuele aspect van iedere werkwoordstijd in het brein van de leerling.

PQA, de persoonlijke vragen waarmee je informeert naar bijzonderheden van de leerlingen, dienen volgens Ben niet beperkt te blijven tot de tegenwoordige tijd. Gesprekken over dingen die de leerlingen vaak doen zijn in de tegenwoordige tijd en wanneer ze gaan over iets dat voor de les gebeurd is, zijn ze in de verleden tijd. Hij zegt dat je gewoon dat moet doen wat natuurlijk is en dat PQA ook het ideale moment is om andere tijden aan bod te laten komen, zoals de toekomstige tijd, de samengestelde tijden, de voorwaardelijke wijs ( ‘als… dan’) enzovoorts.

Ben’s reflectievraag: “Gebruik je meerdere werkwoordstijden in je verhaal?”

De afbeelding is afkomstig van : http://www.deboekensalon.nl/nieuws/van-alle-tijden-de-avonden

TPRS – Stap 2 – Techniek 24 – Je eigen verhaalscripts creëren – de lespraktijk

TPRS – Stap 2 – Techniek 24 – Je eigen verhaalscripts scheppen – de lespraktijk 

We zijn alweer aanbeland bij de eennalaatste techniek van TPRS Stap 2 – het verhaal vragen: techniek 24, Je eigen verhaalscripts creëren.

Ben is zeer enthousiast over Anne Matava’s verhaalscripts. De story scripts van Anne Matava kun je bestellen op Ben’s site (ook om te downloaden =  1/2 van de prijs van de printversie, gentleman’s agreement dat je 1 kopie print) of op de site van Bryce Hedstrom (ook om te downloaden = 1/2 van de prijs van de printversie, gentlemen’s agreement dat je maar 1 print maakt).

Het voordeel van de scripts van Anne en Jim is, dat je ze dus niet zelf hoeft te verzinnen, maar dat je ze hoogstens hoeft te vertalen naar de taal waarin jij lesgeeft en eventueel lichtjes aan te passen aan jouw eigen situatie.

talk_too_muchDe structuren bij de story scripts van Anne en Jim zijn in de tegenwoordige tijd. Meestal gebruiken we bij TPRS grammaticale structuren die in de verleden tijd staan en we vragen de verhalen zodoende in de verleden tijd. Dit is de TPRS paradox, want we werken bij TPRS met hoogfrequente woorden. En de verleden tijd is minder frequent dan de tegenwoordige tijd. Maar om de verleden tijd voldoende te horen én omdat het nodig is om de verleden tijd en de tegenwoordige tijd gelijktijdig aan te bieden en niet (ver) na elkaar in de tijd, worden de verhalen dus o.h.a. in de verleden tijd gevraagd. Bij TPRS Stap 3 gaan we vervolgens lezen in de tegenwoordige tijd, nadat we het verhaal gevraagd hebben en samen gemaakt hebben in de verleden tijd. Met jongere kinderen en NT2’ers gebruik je echter wel eerst de tegenwoordige tijd en kun je als je het terugvertelt of terugvraagt in de verleden tijd doen. Als je het lezen – vanaf een jaar of 8, 9 – meteen aansluitend in dezelfde les doet, dan gaat het leesverhaal over andere hoofdpersonen, maar we gebruiken dezelfde grammaticale structuren, echter dan in de tegenwoordige tijd. De dialogen zijn o.h.a. ook in de tegenwoordige tijd. Tot zover een opmerking over het gebruik van de tegenwoordige en de verleden tijd bij TPRS en dat Jim en Anne dus hun story scripts en structuren in de tegenwoordige tijd geven. Meer hierover bij de volgende techniek, techniek 25, variaties in werkwoordstijden.

Hieronder een vertaald voorbeeld van een verhaalscript van Ann Matava: Hij Praat Teveel

praat                                        talks
houd op!  / stop daarmee!          stop it!
de hele tijd, heel de tijd             the whole time, all the time

Troy praat teveel. Hij praat de hele tijd. [Op dit punt kun je uitzoeken waar hij over praat, in welke taal enz.] Hij gaat naar de bioscoop en praat de hele tijd met John McCain. John McCain zegt, “Sssst! Houd op!” maar  Troy houdt niet op met praten. De manager komt en zegt: “Ga weg! (Verlaat de bioscoop!)”

Troy gaat naar de bibliotheek. Daar praat hij de hele tijd met Lexi, die huiswerk probeert te maken. Lexi zegt, “Sssst! Houd op!” maar Troy houdt niet op met praten. De bibliothecaris komt en zegt: “Ga weg! (Verlaat de bibliotheek!)”

Hij gaat naar de tandarts. De tandarts heeft haar handen in zijn mond. Ze kan hem niet helpen, omdat hij de hele tijd praat. Ze zegt: “Ssssst! Houd op!” maar Troy houdt niet op met praten. Zijn tanden rotten en vallen uit. Hij kan niet meer praten, omdat hij geen tanden meer heeft.

Tot zover het voorbeeld van een story script van Anne Matava. Je ziet hier goed de drie locaties terugkomen en de herhaling. Omdat er toch steeds heel andere situaties zijn, is het geen saaie herhaling. Je ziet ook dat situatie 1 en 2 op elkaar lijken en dat 2 een echo is van 1. Situatie 3 lijkt er ook op, maar heeft dan opeens een heel andere twist. De woorden die schuingedrukt staan, zijn variabel en laat je door de leerlingen vervangen door woorden van hun fantasie en keuze. (Zij weten niet dat ze die vervangen).

De structuren die Anne hier gebruikt heeft, zijn ook heel goed te TPR’en; oftewel aan te leren via ‘zeggen & voor/na/mee/doen’. In haar leestekst staan ook structuren die niet onder de bovenstaande 3 vallen. Omdat je alleen eerder gedoceerde structuren gebruikt, mag je ervan uitgaan dat deze dus al eerder bij een ander verhaal aan bod zijn gekomen. Ze gebruikt de structuren hierboven bij de beginners in les 10. Deze vertel je als informatie: dat zijn dus bijvoorbeeld: gaat naar …, … komt en zegt: Ga weg!

The Holstee ManifestoEn nu heb ik nog heel weinig verteld over het verhaal vragen op zich in de les… Als je nog nooit een verhaal gemaakt hebt met een klas, dan leg je eerst kort aan de leerlingen uit wat er van ze verwacht wordt. Je leert ze hoe ze ja en nee zeggen in die taal. Je zegt ook dat je met de woorden op het bord samen een verhaal gaat maken in het (Frans, Duits, Chinees, Russisch, Engels, Spaans, gebarentaal, Italiaans etc.). En je geeft aan dat hoe leuker hun idee voor het verhaal is, hoe groter de kans is dat jij ervoor kiest om dat idee aan het verhaal toe te voegen. Vervolgens begin je eerst met stap 1, het geven van de betekenis, waarover je in de maanden hiervoor hebt kunnen lezen. Je kiest daarbij die onderdelen van het geven van betekenis, die passen bij jou en je leerlingen. En dan ga je over naar stap 2, het vragen van het verhaal. Het is het handigste als je de structuren voor die les al klaar hebt staan op een flap of (smart)board of op je laptop (en de beamer) of op (geplastificeerde) posters. Ik zou bij bovenstaande voorbeeld in het Frans gebruiken:

  • … parlait
  • tout le temps
  • arrête!

Als je met vertaling kunt werken naar de moedertaal of naar bijvoorbeeld het Engels, zet je de structuren in de doeltaal in 1 kleur op het bord en je zet de vertaling erachter in een andere kleur. (Dit hoort bij stap 1, betekenis geven). Als je nieuw bent in TPRS is het heel handig als je je lessen voorbereid, door het cirkelen eerst helemaal voor jezelf uit te schrijven. Daarvoor kun je deze TPRS lesplanning gebruiken. De invulinstructies staan op het eerste blad. Je kunt deze vervolgens beknopt op stevig A5 papier schrijven of printen en plastificeren, zodat je daarop kunt spieken tijdens de les. Op dit A5-je staan dus je cirkelvragen met de woorden die in het story script hierboven schuingedrukt zijn. Maar die woorden gebruik je niet bij het maken van een verhaal met de klas, want je bevraagt uiteraard niet het verhaal dat je hebt voorbereid! Je gebruikt er alleen iets van, als de klas met niks bruikbaars voor het verhaal komt (wat hoogst zelden voorkomt; durf de tijd te nemen om te vissen tot er iets komt!).

Hier vind je een uitgebreide beschrijving in het Engels op het blog van Martina Bex hoe je “Matava-stijl” verhaal scripts kunt gebruiken bij het creëren van een verhaal met de klas.

Mocht je vast zitten aan een boek, dan geldt dezelfde procedure zoals geschetst afgelopen zondag. Je kiest uit je methode die hoogfrequente woorden die voor jouw leerlingen zinvol zijn en per les biedt je dan drie grammaticale structuren aan. Je schrijft daarbij korte verhaaltjes en aan het voorbeeld van Ann kun je zien, hoe kort het zou kunnen zijn. Je kunt ook een leestekst uit je methode nemen en die volgens de Embedded Reading procedure indikken tot een eenvoudige basistekst en die dan weer opblazen in twee stappen tot je weer bijna de oorspronkelijke tekst hebt. Je basistekst blijft daarbij bestaan en je vlecht er alleen nieuwe elementen doorheen.

Overigens zijn story scripts vooral handig als je een beginnende TPRS docent bent, omdat je dan altijd iets achter de hand hebt om op terug te vallen. Hoe meer ervaring je hebt, hoe meer je alles laat gebeuren en durft te laten gebeuren. Het belangrijkste is en blijft echte interesse in je leerlingen, begrijpelijke input geven en veel herhaling en daar mag en kun je heel vrij in zijn. Ik besef dat dit voor sommigen té vrijblijvend lijkt en te weinig houvast kan bieden… Toch is het belangrijk om het allemaal niet buiten jezelf te zoeken in regeltjes of wetten of musts of wat dan ook, maar om vanuit jezelf te werken en jouw authenticiteit en kracht te vinden.

De afbeelding van de meeuwen is afkomstig van: http://cdn.mdjunction.com/components/com_joomlaboard/uploaded/images/talk_too_much.gif

De poster This is your life en het Youtube filmpje zijn afkomstig van : http://shop.holstee.com/pages/about

TPRS – Stap 2 – techniek 23 – Portrait physique – de lespraktijk

TPRS – Stap 2 – techniek 23 – Portrait physique – de lespraktijk

Great_Sphinx_of_Giza_WikipediaAch, dit is weer zo’n geweldige techniek waarmee je samen met elkaar bij het maken van verhalen deze zoveel interessanter, beeldender, levendiger, grappiger, persoonlijker en wat al niet kunt maken.

En inderdaad is het dan wel de kunst om, zoals Ben zegt, het niet té bont te maken. Juist iets redelijk normaals, maar dan nét met een twist hier of daar maakt een (hoofd)persoon, dier of ding ‘af’.

Het samen je fantasie laten gaan, kan ook de band van een klas of groep versterken. Zo hadden we bijvoorbeeld een keer een man die geen neus had en daar naar op zoek ging en allerlei avonturen beleefde bij het vinden van een geschikte neus. Het hele jaar door kwam die man echter in andere verhalen ook altijd nog weer even om de hoek kijken in een bijrolletje.

Alles is mogelijk in de Duitse/Engelse/Franse/Italiaanse/Nederlandse/Russische/Spaanse les! Waar kun je tegenwoordig nog ongebreideld je fantasie laten gaan? Bij het samen maken van verhalen kan dat. Net als de goden van weleer schep je maar raak met elkaar, je schept werelden vol beelden. En ondertussen wordt er een vreemde taal geleerd! Happy creating!

Afbeelding is afkomstig van : http://nl.wikipedia.org/wiki/Sfinx_van_Gizeh